Bericht via Fenelab

Asbestgekte en asbesthysterie, het zijn termen die de afgelopen maanden regelmatig in de media voorbijkwamen. ‘De sanering van asbest is complete waanzin, vaak weggegooid geld en geeft schijnveiligheid’ en ‘Aan roken gaan meer mensen dood dan aan asbest’, het zijn beweringen die door niet de minsten in het veld werden geponeerd. “De emoties lijken de feiten in het asbestdossier te verdringen”, zegt Jan Tempelman, al 45 jaar dé specialist op het gebied van asbest en tot eind vorig jaar werkzaam als projectleider bij het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO.
“Onjuiste vergelijkingen tussen roken en asbest, dus gekozen en ongekozen risico’s, gaan niet op.
Als we kiezen om 130 in plaats van 100 kilometer per uur op de snelweg te gaan rijden, dan vallen er ook meer doden in het verkeer. Daar kies je voor, maar voor de risico’s van asbest kies je niet.

Jan Tempelman is nog steeds actief in de wereld van asbest als zelfstandig adviseur en volgt de ontwikkelingen nauwgezet.
“Het verbod op asbestdaken in 2024 heeft krachtige tegenlobby’s losgemaakt. En dat begrijp ik wel, want de kosten zijn hoog.
Boeren, werkgevers en soms ook verzekeraars op de achtergrond, hebben grote belangen.”

Nederland telt zo’n 130 miljoen vierkante meter asbestdaken en gevelpanelen. De kosten om dit allemaal te verwijderen worden geschat op bijna € 900 miljoen.
Sinds 1993 is het verbod op het gebruik van asbest van kracht, waarmee in 2024 de jongste asbestdaken 30 jaar oud zullen zijn.

“De discussie over de kosten van het verwijderen is zeer betrekkelijk”, aldus Tempelman. “Veel asbestdaken zijn sowieso aan vervanging toe, omdat ze gewoon versleten zijn.
En kijk eens wat er gebeurt met een dak bij een brand of een flinke hagelbui. Het spat uit elkaar of wordt stukgeslagen en dat levert enorme schade op.
Het laatste voorbeeld hiervan zagen we in juni in Noord-Brabant, waar snel maatregelen genomen moesten worden.”

Jan Tempelman is het met de critici eens dat er wel sprake moet blijven van realiteitszin. “Enig realisme kan geen kwaad. Het kan soms doorslaan.
Een asbestdak dat nog volledig intact is, daarvan zijn de risico’s minimaal, maar aan het einde van de levensduur wordt dat asbestdak broos waardoor er asbestvezels vrij zullen komen.
Ook de kans op calamiteiten door hagel en brand zal dan flink toenemen. Als je dus nu niets doet, dan zitten we na 2024 met een groot probleem.”

Het gevaar van de vrijkomende asbestvezels van asbestdaken zit volgens Tempelman niet zozeer in de buitenlucht. “Maar vaak zie je bij daken op boerderijen dat er geen dakgoot aanwezig is.
De vezels lopen dan vrij uit over de looppaden. De blootstelling via de buitenlucht is dan wel minimaal, maar mensen lopen de vezels naar binnen op plekken waar weinig ventilatie is,
zoals in woningen en auto’s, waardoor wel een normoverschrijdende concentratie in de binnenlucht kan ontstaan.
Dat gebeurt ook bij vezels afkomstig van flinters en brokstukken die vrijkomen na brand en hagel. We noemen dat secundaire emissie.”

Het benadrukken van het verschil in gevaarzetting bij witte asbest (chrysotiel), dat in 85 procent van de asbesttoepassingen is verwerkt, en de blauwe asbest (amfibool), gaat wat Tempelman betreft soms te ver. “Het is een feit dat longaandoeningen bij witte asbest aanzienlijk minder voorkomen doordat chrysotiel, in vergelijking met amfibool asbesttypen, sneller wordt afgebroken in het lichaam. Om die reden wordt naar verwachting begin volgend jaar de grenswaarde voor amfibool-asbestsoorten, zoals verwacht en al lang gewenst, naar beneden gesteld.
En dat is terecht, want de Gezondheidsraad heeft al in 2010 geadviseerd om de asbestgrenswaarden te verlagen vanwege de aantoonbare risico’s voor de volksgezondheid.
“Omdat de perceptie was dat witte asbest minder schadelijk zou zijn, werd hiermee in het verleden veel onvoorzichtiger omgegaan.
In de bouw zag je hoge blootstellingen omdat platen met witte asbest zonder bescherming werden doorgezaagd. Vroeger bevatten remvoeringen vrijwel altijd chrysotiel.
Het uitblazen van remtrommels was een standaardhandeling in garages. Later bleek dat ook een aantal automonteurs asbestgerelateerde longziektes zoals mesothelioom en longkanker had opgelopen.”

Tot de dag van vandaag redetwisten epidemiologen en onderzoekers over de oorzaken. Feit is (aangetoond door o.a. Eric Chatfield) dat ook ‘zuivere’ chrysotiel van nature altijd verontreinigd is met een klein percentage tremoliet, een amfiboolasbest met dezelfde ziekteverwekkende eigenschappen als crocidoliet en amosiet. “Witte asbest is minder schadelijk, maar als gezegd wordt dat het ongevaarlijk is: nee!”, aldus Jan Tempelman. “Dit blijkt overigens ook uit de studie van de Gezondheidsraad en de hierop gebaseerde huidige grenswaarden.
Ook de oude milieuregelgeving (destijds VROM) hanteerde al een vergelijkbaar systeem (vezelequivalenten) om onderscheid te maken tussen de carcinogene potentie van chrysotiel en amfibool asbesttypen.”

Uit onderzoek dat Tempelman in 2010 deed voor TNO bleek, dat bij de sanering van asbesthoudende materialen met relatief weinig risico soms met een ‘overkill’ aan maatregelen werd gewerkt. “Maar juist bij het saneren van niet-hechtgebonden amosiet en crocidoliet werden de risico’s zwaar onderschat. In de 80-er en 90-er jaren van de vorige eeuw zijn er veel slechte saneringen uitgevoerd, die ook achteraf nog tot blootstelling leidden. Daar is sinds 2010 veel ten goede aan veranderd. Er zijn nu betere verwijderingsmethoden, maar we zijn er nog niet.”

Kunnen we dan wel stellen dat je voor de verwijdering van ieder asbesthoudende vensterbank niet altijd mannen met witte pakken nodig hebt? “Daar kun je het over hebben”, aldus Tempelman. “Maar deze mensen zijn iedere dag met asbest bezig. Je kunt het overdreven noemen, maar als het je werk is, is uniformiteit van regime wel belangrijk. Als je een losliggende amosietplaat uit een meterkast verwijdert en je pakt die netjes in, dan is er nauwelijks kans op blootstelling. Maar laat je deze per ongeluk vallen en de plaat breekt dan heb je een blootstelling die 10 keer boven de norm ligt.”

Jan Tempelman steunt staatssecretaris Dijksma dan ook in haar beleid als het om de verwijdering van asbest gaat. “Het is realistisch om asbestdaken in 2024 verwijderd te hebben.”
Tempelman pleit wel om de discussie over de asbestdaken om te buigen. “Kijk naar de provincies Overijssel en Limburg. Daar wordt bijvoorbeeld gestimuleerd om na de verwijdering van
asbestdaken zonnepanelen te installeren. Of de sanering van kleine varkensboerderijen wordt gecombineerd met het verwijderen van de daken. Door het slim combineren van verschillende
doelen en bestemmingsplannen blijkt er ineens veel meer te kunnen. Verzekeringsmaatschappijen ondersteunen deze maatregelen ook. Zo wordt de verzekerbaarheid van asbestdaken
stapsgewijs afgebouwd.”

De verwijdering van de asbestdaken tot 2024 zal een enorme uitdaging voor alle partijen zijn, zowel voor de opdrachtgevers en eigenaren als voor de asbestbranche zelf. Vandaar ook dat de staatssecretaris een speciaal programmabureau opricht. “We moeten wel alert zijn en voorkomen dat we onder tijdsdruk niet dezelfde fouten maken als in het verleden en slordig gaan werken.”, zegt Jan Tempelman. “Ook asbestverwijderingsbedrijven moeten de problemen niet onderschatten en met slecht opgeleide mensen gaan werken. Als je bijvoorbeeld dakplaten naar beneden gooit of over elkaar schuift, dan ontstaat er wel degelijk blootstelling. En ook het veilig op hoogte werken met valbeveiliging heeft aandacht nodig. De saneringsbranche is zich hiervan wel bewust, maar ze moet en wel blijvende aandacht voor hebben.”

Jan Tempelman ziet hier een belangrijke rol weggelegd voor de inspectie-instellingen voor de eindbeoordeling van de saneringsprojecten. Deze zogenaamde asbestlabs zijn geaccrediteerd zijn door de Raad voor Accreditatie. Een onafhankelijke beoordeling borgt dat de gesaneerde ruimte na afloop betreden kan worden. En hebben partijen eerder in de asbestketen hun werk niet goed gedaan, dan keurt het asbestlab het project af en moet de sanering over worden gedaan. Gelukkig komt dat steeds minder voor in Nederland, maar mede dankzij de asbestlabs – aangesloten bij FENELAB (www.fenelab.nl) – is er de druk om goed te presteren.

FENELAB levert ook haar bijdrage om de kwaliteit van de asbestlabs verder te verbeteren. Zo zijn recent toetsingscriteria opgesteld zodat het kennisniveau van de asbestinspecteurs met een
centraal examen kan worden getoetst, wordt deelgenomen aan NEN-werkgroepen en het Centraal College van Deskundigen van Ascert en bestaat er een actieve samenwerking met andere
brancheverenigingen als VOAM-VKBA, VERAS, VVTB en VIA.