Hoe is het Asbestdakenverbod tijdig uit te voeren?

Per 1 januari 2024 gaat een verbod op asbestdaken in. In de komende negen jaar moeten dus alle asbestdaken worden vervangen. Is dit haalbaar? Edwin Zoontjes van branchevereniging VERAS stelt dat daar nog wel wat voor nodig is.

VERAS is de belangenvereniging voor sloop- en asbestverwijderingsbedrijven in Nederland, met ruim 100 aangesloten bedrijven. De vereniging is nauw betrokken bij de diverse asbestdossiers en neem deel aan diverse overlegvormen en commissies.

Ontwerpbesluit niet overal even duidelijk

Wij juichen het Asbestdakenverbod toe als een manier om Nederland veiliger en gezonder te maken. Maar wij maken ons wel zorgen over de wijze waarop het verbod (en daarmee de verwijderingsplicht) is neergelegd in het ontwerpbesluit. Wij hebben hierdoor ernstige twijfels bij de haalbaarheid van het Asbestdakenverbod. De periode tot 2024 lijkt een lange tijd, maar is een enorme opgave voor alle betrokkenen, zowel de sector als toezichthouders. Wil het doel in 2024 bereikt zijn, dan moet er een aanzienlijke versnelling van het verwijderen van asbestdaken worden gerealiseerd, van 4 naar 12 miljoen m² per jaar. Ook de 4 miljoen m² die momenteel wordt geclaimd in de toelichting op het ontwerpbesluit is overigens volgens ons hoogst onzeker.

Onduidelijk is, welke (stimulerings)regelingen in het leven zullen worden geroepen. Duidelijk is in ieder geval dat huidige regelingen en diverse private initiatieven nog altijd ontoereikend zijn. Temeer omdat deze stimuleringsmaatregelen gericht zijn op de gebouwenvoorraad waarbij er nog sprake is van een renderende exploitatie: dat zijn de daken die de komende 10 jaar sowieso zullen worden vervangen. De uitdaging zal met name zijn om eigenaren van asbestdaken van meer incourante en onrendabele bouwwerken te bewegen het asbest te verwijderen. Alterra heeft becijferd dat tot 2030 circa 15 miljoen m² agrarische bedrijfsgebouwen leeg komen te staan, zonder dat er een andere functie voor is gevonden. Bijvoorbeeld in die gevallen is er geen economische drager voor de asbestverwijdering.

De basis van de activiteiten moet zijn dat het Asbestdakenverbod robuust en geloofwaardig is, en dat de uitvoering hiervan in de tijd geleidelijk en zo soepel mogelijk verloopt. In het huidige ontwerpbesluit is nog veel onduidelijk:

  • Wat is de praktische, juridische en financiële haalbaarheid van het Asbestdakenverbod?
  • Welke maatregelen worden genomen om de huidige markt effectief te stimuleren en werk te maken van de verwijdering van asbesthoudende daken?
  • Hoe wordt de toezicht/handhaving georganiseerd in de aanloop naar 2024?
  • Wat zijn de tussentijdse doelen en hoe worden deze ­geëvalueerd?
  • Wanneer, en indien noodzakelijk, op welke wijze wordt bijgestuurd indien onverhoopt blijkt dat het benodigde tempo van sanering niet wordt gehaald?

Voorstellen

Wij willen hieronder een aantal aandachtspunten noteren, waar naar onze mening bij de inwerkingtreding van het Abestdakenverbod rekening mee dient te worden gehouden. Zodoende zouden de doelstellingen naar onze mening haalbaar moeten zijn.

Meldingsplicht en sancties

Belangrijk is dat het Asbestdakenverbod wordt gecompleteerd met een aantal verplichtingen die (ook juridisch) toewerken naar het verbod per 2024. Denk daarbij aan een inventarisatie- en/of meldingsplicht voor bouwwerken met een asbestdak, waarmee de locatie van het asbestdak, en de eigenaar, vroegtijdig bij de gemeente bekend is. Ook dient duidelijkheid te komen in de sanctie (van rechtswege) indien niet tijdig is voldaan aan het verbod.

Effectief toezicht

Momenteel zijn grote verschillen tussen gemeenten in het toezicht en de handhaving. De handhavingskosten dienen in beeld te worden gebracht. Daarnaast dient te worden vastgelegd dat gemeenten per ingang van de wettelijke regeling programmatisch met toezicht aan de slag gaan. In samenhang met de inventarisatie/meldingsplicht kan dat ook bijdragen aan de monitoring van de voortgang.

Zoals het Asbestdakenverbod nu is geformuleerd, krijgt het feitelijk en juridisch pas betekenis in 2024. In de huidige opzet van het besluit start pas per die datum het toezicht en de handhaving. Voor die tijd is er (behoudens gevallen van acute emissie) geen drukmiddel om gebouweigenaren te bewegen het asbestdak te verwijderen. Doordat de handhaving wordt neergelegd bij lagere overheden, is afgezien van een toets op handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid (HUF-toets). Juist bij een wettelijke regeling als deze is dit juist van groot belang.

Flankerend beleid

Om een gemiddelde van 12 miljoen m² verwijderde asbestdaken per jaar te halen, is fors flankerend beleid nodig. Hiertoe is samenwerking tussen de diverse betrokkenen nodig. Naar onze mening moet de overheid hiertoe het voortouw nemen en de regie voeren, als onderdeel van een programmatische aanpak waarvan de contouren en de verantwoordelijkheden in de wettelijke regeling worden vastgelegd.

Afschaffen stortbelasting asbest

De stortbelasting op asbest (WBM) werkt naar onze mening contraproductief en staat haaks op het kabinetbeleid om asbest versneld te verwijderen uit onze samenleving. Wij hebben dan ook in onze brief aan het Ministerie voorgesteld in het eerstvolgende Belastingplan een vrijstelling op te nemen in de WBM op het storten van asbesthoudende materialen.

Tussentijdse doelen

Momenteel is niet duidelijk op welke wijze de hoeveelheid verwijderde asbestdaken wordt gemeten. Ook is niet duidelijk hoe eventueel bijgestuurd zal worden. Wij pleiten ervoor duidelijke – tweejaarlijkse – tussendoelen te stellen, en maatregelen te introduceren bij het onverhoopt niet behalen van de gestelde tussendoelen.

Het is een enorme opgave, maar het moet haalbaar zijn het Asbestdakenverbod tijdig te realiseren. Maar dan moet er nu wel geschakeld worden.

Bron: Roofs.nl