Op verzoek van SZW heeft Tauw het functioneren van het certificatiestelsel onderzocht.
Het onderzoek evalueert (de knelpunten van) het huidige stelsel en beschrijft de voor- en nadelen van mogelijke alternatieve stelsels.

Het rapport geeft een beeld van het huidige stelsel en beschrijft de voor- en nadelen van alternatieve stelsels op het gebied van gezond en veilig werken in de asbestinventarisatie en asbestsanering. Een beleidsreactie naar aanleiding van dit onderzoek en andere relevante ontwikkelingen wordt begin 2018 aan de Kamer gezonden. Bij het opstellen hiervan worden ook andere rapportages betrokken en zullen ook de ontwikkelingen met betrekking tot de overgang naar certificatie op basis van accreditatie als gevolg van nieuwe Europese verplichtingen worden meegenomen.

Hieronder een deel uit de samenvatting in het rapport:.

Uitkomsten fase 1: evaluatie huidig stelsel

Er zijn een beleidsreconstructie, een netwerkanalyse en een evaluatiekader opgesteld als basis voor het onderzoek en de analyse van de eerste fase.
Een indeling in drie abstractieniveaus was leidend: strategisch niveau, tactisch niveau en operationeel niveau.
In het navolgende is voor elk van deze drie niveaus een samenvatting van de bevindingen gegeven.

Strategisch niveau

In het kader van bijdragen aan veilig werken en het voorkomen van verspreiding van asbestvezels:

  • Alle partijen onderschrijven het belang van veilig werken maar de interpretatie en uitwerking zijn in de praktijk uiteenlopend
  • Doelen die met certificering worden beoogd zijn niet gekwantificeerd en daarmee lastig meetbaar
  • In het kader van bijdrage aan vormgeving eigen verantwoordelijkheid:
  • Stelsel werkt niet belonend
  • Branches kennen op papier geen eigen beleid
  • Werkgevers participeren actief in werkkamers en CCvD van Ascert

In het kader van bijdragen aan gerechtvaardigd vertrouwen kwaliteit producten en diensten:

  • Het stelsel is niet op de opdrachtgever gericht; vooral de particuliere opdrachtgever kan moeilijk beoordelen of kwaliteit daadwerkelijk geleverd wordt

In het kader van draagvlak voor het stelsel:

  • Draagvlak voor het stelsel is wisselend: asbestverwijderende en -inventariserende bedrijven willen het stelsel niet kwijt maar zijn kritisch
  • Gemeenten, omgevingsdiensten en opdrachtgevers zijn kritischer dan bedrijven

Tactisch niveau

In het kader van vertegenwoordiging belangen:

  • Er is meer openheid en transparantie tussen partijen ten opzichte van vijf jaar terug, er is betrokkenheid en drive bij stakeholders om asbestproblematiek aan te pakken en er is sprake van een gedeeld belang: gezond en veilig werken
  • Tegelijkertijd zijn de belangen van de betrokken partijen groot en, buiten gezond en veilig werken, op veel andere vlakken niet gedeeld en soms tegenstrijdig
  • Niet alle belangen lijken evenwichtig vertegenwoordigd in het CCvD

In het kader van mogelijkheden toezicht overheid:

  • De overheid heeft geen besluitvormende rol in Ascert maar stelt uiteindelijk wel de definitieve schema’s vast waarbij ze de mogelijkheid heeft om alsnog aanpassingen door te voeren
  • De scheiding tussen de arboregelgeving en de milieuregelgeving leidt tot versnipperd toezicht
  • Toezichthouders als I-SZW en omgevingsdiensten menen dat de commerciële afhankelijkheid van een CKI op gespannen voet staat met de rol van een ZBO. CKI’s herkennen dat niet en geven wel aan dat ze check op juridische houdbaarheid doen alvorens overtreding door te zetten

Bevindingen operationeel niveau

In het kader van nalevingsgedrag:

  • Doelen met betrekking tot naleving zijn niet gekwantificeerd en voortgang wordt niet consequent, integraal gemonitord
  • Naleving lijkt te verbeteren, toezicht en handhaving lopen nog niet optimaal en het beeld is nog fragmentarisch

In kader van inzichtelijkheid en objectiviteit van het stelsel:

  • Certificatieschema’s zijn ingewikkeld maar duidelijk. Niet alle medewerkers binnen de branche kunnen het conceptueel niveau van de regels echter volgen
  • Er is in de praktijk vaak discussie over de interpretatie van regels
  • Beeldvorming over de risico’s en de noodzaak van beschermende maatregelen verschilt (risicoperceptie)
  • Inventarisatiebedrijven en asbestverwijderaars stellen dat in het huidige stelsel flexibiliteit en innovatie moeilijk te realiseren zijn

In kader van doelmatigheid en doeltreffendheid stelsel:

Zowel kosten als baten voor bedrijven lijken beperkt maar het is niet gelukt om hierover betrouwbare cijfers te vinden

  • Meerdere toezichthouders: vanuit de wetgeving is de rolverdeling tussen de verschillende toezichthouders in het asbestdossier wel duidelijk, maar in de praktijk houden toezichthouders zich niet altijd strikt aan hun domein, wat onduidelijkheid geeft – Er is toegenomen juridificering

Uitkomsten fase 2: varianten

In fase 2 zijn mogelijke alternatieve varianten voor het certificatiestelsel onderzocht, criteria om de varianten mee te wegen opgesteld en een weging uitgevoerd.

Ook zijn beschikbare onderzoeken over buitenlandse arbostelsels voor asbest geanalyseerd.

De volgende varianten zijn gedefinieerd:

  • Asbest behandelen in de systematiek van een ‘gewone’ carcinogene stof
  • Het huidige stelsel met een erkenningsregeling
  • Het huidige stelsel met toezicht door één, in plaats van meerdere CKI’s
  • Vergunningverlening door de overheid in plaats van certificatie via CKI